Andries Nagtegaal : de ‘Suurbier’ van DOS

            “VAN MIJN VADER MOCHT IK NIET ZO VAAK NAAR VOREN”

 

Andries Nagtegaal (60) herinnert het zich nog goed. Hoe hij als jochie van tien voetbalde op een pleintje in Wijk C met Anton Geesink en Loek Alflen. Later zou dat tweetal internationale roem oogsten door een Olympische titel te halen. Alflen bij het worstelen, Geesink bij het judo. Nagtegaal oogstte ‘slechts’ nationale bekendheid door met DOS de landstitel te pakken in 1958. Maar ook voor hem gingen duizenden mensen de straat op bij de huldiging. “Taferelen die daarna nooit meer in Utrecht te zien zijn geweest”, zegt hij bij het bekijken van de archieffoto’s.

 

Nagtegaal behoorde in 1958 met Hans Kraay tot de jonkies bij de Kanaries. De rechtsback was pas 22 jaar toen in een zinderend gevecht Enschede werd verslagen. “Toen de negentig minuten om waren zat bijna iedereen er doorheen. Abe Lenstra kon in de rust de trappen van het Goffert-stadion richting kleedkamer al niet meer opkomen, door de hitte was hij gesloopt. Ik voelde me kiplekker ook al was het meer dan dertig graden. Door mijn goede conditie en mijn leeftijd was ik extra in het voordeel, bovendien kon ik goed tegen de warmte.”

Bijna veertig jaar later is Andries Nagtegaal geen grammetje zwaarder geworden, hij weegt nog steeds zeventig kilo. Regelmatig een baantje zwemmen, niet te vet eten, veel beweging. “Na mijn DOS-periode ben ik nog een poosje actief gebleven bij Elinkwijk, DOS’01 en Ultrajectum. Daarna heb ik als trainer gewerkt bij onder meer JSV, Sportlust, IJFC, Majella en DWSV. Nu maak ik sinds twee jaar gebruik van de VUT-regeling. Ik vermaak me best, vooral met de vijf kleinkinderen.” Volgend jaar trouwt de laatste van zijn vier dochters, hij is blij ‘het nog allemaal te mogen meemaken.’

 

Noodlot

Samen met de andere vleugelverdediger Martin Okhuysen deelt hij een stukje noodlot. “Ook mijn broer is in de oorlog verdwenen nadat hij bij een razzia is opgepakt. Ik was toen een klein jochie van een jaar of zes, dus heb ik dat niet bewust meegemaakt. Mijn broer Wim is in Duitsland bij een bombardement omgekomen, we hebben vrijwel niets van hem gehoord en weten evenmin waar hij begraven is. Alleen kreeg mijn vader na de fatale gebeurtenis de persoonlijke papieren van Wim thuisbezorgd. Het heeft een jaar geduurd voordat mijn moeder op de hoogte is gebracht. Uit angst dat ze het slechte nieuws niet aankon. We waren thuis met tien kinderen maar als ouder zijn ze je toch allemaal even lief. Als het programma ‘Opsporing Verzocht’ op de televisie moet ik altijd even aan mijn broer denken.”

            Vader Dries Nagtegaal was een bekend voetballer bij Velox, maar ook de persoonlijke coach van zoon Andries. “Hij ging altijd met me mee en spaarde me niet met zijn kritiek. Bij de uitwedstrijden van DOS zat mijn vader bij ons in de trein en at gezellig een hapje met de groep. Daar werd niet moeilijk over gedaan. Tegenwoordig hebben ze trainingskampen en noem maar op. Wij verzamelden gewoon op het stadion en gingen tussen het publiek in de trein zitten. Je praatte ook met andere reizigers en dacht pas een uur voor aanvang aan de wedstrijd die komen ging. We hadden een hechte vriendenclub, het kwam gewoon niet in je op om te verzaken.”

            Nagtegaal stond bekend om zijn opkomende acties, hij ging vaak mee naar voren. “Mijn vader waarschuwde me geregeld dat ik wat meer achter moest blijven. Maar bij mijn eerste club Minerva had ik in de voorhoede gespeeld, het was mijn tweede natuur. Later is dat bij Ajax het handelsmerk geworden van Wim Suurbier maar het was natuurlijk niets nieuws. Bij DOS deden we toch bijzondere dingen, Ton van der Linden en Gerrit Krommert namen soms een strafschop in twee keer. Toen Johan Cruijff dat met Ajax tegen Helmond Sport deed, was het een wereldprimeur. Maar bij DOS kwamen die dingen spontaan op, we hebben heel wat afgelachen.”

            Andries Nagtegaal volgde bij DOS als verdediger Joop van Basten op, de vader van Marco “Je kan niet geloven dat die twee vader en zoon zijn. Joop van Basten was een stugge verdediger, in niets te vergelijken met Marco. Ze woonden bij ons achter, later heb ik Joop vaak met zijn zoon zien trainen in het plantsoen. Hij heeft enorm in die jongen geïnvesteerd. Ik heb alleen maar dochters. Lieve meiden, maar met hen ga je niet een balletje trappen. Ook mijn vrouw was niet zo’n voetbalfanaat, bij het kampioensfeest van DOS is ze maar een uurtje geweest, vanwege haar zwangerschap. Ik heb haar thuis nog wel even opgehaald maar je kon Tivoli bijna niet binnenkomen. Het stond er zwart van de mensen.”

 

 

Andries Nagtegaal werkt tijdens DOS-Ajax in april 1958 de bal weg met een sliding, zijn specialiteit.

Frans de Munck (links), Feldmann en Martin Okhuysen (rechts) zijn ook zichtbaar op de foto.

 

            Mindere god

Andries Nagtegaal is niet rijk geworden van de landstitel, hij beschouwde zichzelf ook niet als een absolute topper. “ Ik was behoorlijk snel, kon aardig koppen en had een prima sliding. Met die kwaliteiten kwam ik met Hans Kraay in het militair elftal en in het nationaal B-elftal, maar vergeleken met Ton van der Linden behoorde ik tot de mindere goden. Wanneer ik de bedragen hoor die momenteel verdienen, zijn we natuurlijk veel te vroeg geboren. Ik sta geregeld bij het trainingsveld van FC Utrecht te kijken, qua niveau is het niet zoveel beter dan vroeger. Vergeet niet dat wij maar met drie verdedigers voetbalden en het dus moeilijker hadden, je moest een goede balafpakker zijn. Afgezien van Coen Moulijn die in De Kuip ongrijpbaar was, kon ik iedereen hebben. Wanneer je uitgespeeld werd, kwam de tegenstander vrij voor onze keeper. Gelukkig hadden we een mannetjesputter als Frans de Munck in het doel, een betere keeper heb ik nooit meer gezien. Hij was een vreemde vogel, desondanks kon ik goed met ‘m opschieten. Maar met Hans Kraay had-ie bijvoorbeeld vaak problemen.”

            Nagtegaal verdiende de kost als timmerman in de bouw, ook werkte hij als manusje-van-alles op de zetterij van het Utrechts Nieuwsblad (‘De vader van Cor Luiten was daar mijn baas, er werd natuurlijk de hele dag over DOS gepraat’) en als conciërge op een school. “Ik heb het geluk dat ik nog goed gezond ben en allerlei dingen kan doen. ’s Zondags ben ik vaak op een amateurveld in de buurt te vinden, het profvoetbal trekt me niet zo. FC Utrecht heb ik pas twee keer zien spelen, in 25 jaar. Maar nu ben ik toch weer van plan om naar het stadion te gaan. Het voetbalsfeertje is terug in Galgenwaard, zo heb ik me laten vertellen.” Maar eigenlijk verlangt Nagtegaal het meest terug naar zijn tijd als straatvoetballer. “Daar heb ik de techniek geleerd, elke avond waren we in de weer, tot het donker werd. In Wijk C waren nog geen parkeergarages en de deuren gingen ’s avonds nooit op slot. Waarom? Het was de moeite niet waard om in te breken, bij onze ouders viel niets te halen.”