WIM VISSER, MAN VAN DE TWEEDE ADEM

 

Hij staat nog midden in het voetballeven. Iedere zaterdag fluit Wim Visser (64) een wedstrijdje van het jeugdteam van vv Utrecht waarin zijn kleinzoon meedraaft. En het tempo kan hij nog goed volgen. Wim Visser was altijd al de ‘man met de tweede adem’. In het kampioenschapsjaar van DOS behoorde hij niet tot de vedetten maar zijn inbreng werd door teamgenoten op juiste waarde geschat. “Zonder werkers word je nooit landskampioen”, is z’n even simpele als bescheiden verklaring.

 

De voormalige elektromonteur zit al zo’n vijf jaar in de vut maar hij verveelt zich geen moment. Precies zoals vroeger is Visser nijver in de weer bij klusjes die zich voordoen, meestal bij zijn familie. Een werker dus, die een hekel heeft aan voetballers die er de kantjes vanaf lopen. Misschien ook een speler die door het publiek werd onderschat omdat zijn acties niet altijd even frivool waren. Scheidsrechter Leo Horn gaf hem ooit het mooiste compliment dat je als voetballer kan krijgen. Het gebeurde na de derby Elinkwijk-DOS (1-6) waarbij Wim Visser en Henk Temming op de voorgrond traden. “Ik heb net een Europacupwedstrijd van Manchester United gefloten, je zou daar zo mee kunnen. Ze zijn daar dol op types zoals Visser” aldus de gelouterde arbiter die bekend stond als een kenner.

Er was nog een reden waarom Wim Visser altijd in de basis stond, hij is destijds getrouwd met de dochter van de voorzitter. De voormalige DOS-speler kan het grapje wel waarderen. “Het was bij ons één grote familie, letterlijk en figuurlijk. Ik trouwde met Riet Schröder, dochter van Toon die afwisselend met Piet Mackaay als voorzitter van DOS fungeerde. Maar je moet niet denken dat ik door mijn huwelijk in een bevoordeelde positie zat, er werd juist extra scherp op mij gelet. Ik kon me niet meer permitteren dan mijn clubgenoten.”

Met smaak vertelt hij het verhaal van de verschijning van Pepi Gruber op de ijsbaan, samen met Hans Kraay werd hij door de succestrainer ijlings naar de kant gehaald. “Zonder zijn toestemming waren we gaan schaatsen, In de buurt van de Grote Brug stond-ie ineens midden op het ijs, we moesten meteen de ijzers afdoen. Hij was een tegenstander van schaatsen, je kon er volgens hem lelijke blessures door krijgen. Het ging er toch anders aan toe dan tegenwoordig. Wanneer je vloekte op de training moest je een boete betalen. Als jochie was het één cent per vloek, terwijl ik als junior een stuiver per week verdiende. Dus dat was geen vetpot. Tegenwoordig zou de pot overlopen, je hoort niet anders dan vloeken op de velden,” constateert Visser wrang. Omdat hij als junior in de Marnixlaan woonde, werd DOS zijn eerste en enige liefde. Hij werd al jong ontdekt door de scouts, belandde in het militaire elftal en andere vertegenwoordigende ploegen. “Mijn loopvermogen en spelinzicht waren belangrijke eigenschappen, ik heb daar veel profijt van gehad en ook Jong Oranje mee gehaald. Zonder morren heb ik me ondergeschikt gemaakt aan een vedette als Ton van der Linden, die met één actie een wedstrijd kon beslissen. Zoals in de kampioenswedstrijd tegen Enschede toen hij het in de verlenging ineens op zijn heupen kreeg.”Die middag in Nijmegen was om meerdere redenen historisch, zo beseft Visser. “Het is ongelooflijk dat een paar politiemensen genoeg waren om twintigduizend mensen in toom te houden. Supporters zaten kriskras door elkaar, dat was geen enkel probleem. Omdat het helemaal uitverkocht was, hadden ze extra stoelen langs de lijn gezet. De toeschouwers zaten doodgemoedereerd met een flesje bier in hun handen een halve meter van de voetballers vandaan. Abe Lenstra was mijn tegenstander, hij zat er na de normale speeltijd van negentig minuten helemaal door. Daar hadden we in de verlenging geen kind meer aan, al was Abe een fantastische voetballer.”

In een volgepakt Galgenwaard scoort Wim Visser (links) een fraaie treffer tegen Ajax in 1958, de Kanaries zouden die middag met 5-1 winnen.

 

 

Zijn actieve loopbaan werd in 1966 afgesloten. Visser was toen 34 jaar oud. In zijn nadagen voetbalde hij nog ruim twee seizoen bij DOS’01, zijn afscheid was in de derby tegen UVV. Wim voetbalde bij de Kanaries nog even met Gerard van Leur, terwijl hij twintig jaar eerder samen met diens vader had gespeeld. Visser begon daarna met een trainerscarrière die hem langs clubs als Midlandia, JSV, Bunnik, Brederodes, VEP en Sporting voerde. “Bij de meeste clubs ga ik nog weleens langs, de contacten zijn prima gebleven. Ik heb nog meegemaakt dat er bij Midlandia nog geen centrale verwarming was in de kantine en dat we met z’n allen na een training rond de potkachel zaten en ons wasten met water uit de Kromme Rijn. Daar kijk ik graag op terug, een prachtige tijd.”

 

Precies zoals zijn teamgenoten is Wim Visser niet rijk geworden van het voetballen. “Wanneer ik in de krant lees hoeveel jeugdspelers durven te vragen die nog niet eens in het eerste staan, dan zijn wij gewoon te vroeg geboren. Onze enige luxe was dat we ons iets meer konden permitteren tijdens een vakantie of iets royaler konden leven dankzij het voetballen. Misschien hebben wij wel méér van dat kleine beetje extra genoten dan de profs die zich nu alles kunnen permitteren. Wanneer ik op zondagmorgen lekker in het Panbos loop om een beetje conditie op te doen of een partijtje fluit op zaterdag, ben ik de koning te rijk. Gezondheid is het enige wat echt telt.”